Het plaatsen van brandslanghaspels en blustoestellen volgens het Bouwbesluit 2012

De brandbeveiliging van een gebouw omvat vele maatregelen, die altijd in samenhang moeten worden beschouwd. Blustoestellen vormen een belangrijk onderdeel van deze maatregelen, maar ze nemen niet de noodzaak weg van andere maatregelen zoals het plaatsen van brandslanghaspels, droge blusleidingen, sprinklers, blussystemen of branddetectie.
Blustoestellen zijn zeer waardevol in het beginstadium van een brand, wanneer hun snelle verplaatsbaarheid en onmiddellijke beschikbaarheid een snelle bluspoging mogelijk maken.

In het bouwbesluit staat beschreven wanneer het verplicht is om brandslanghaspels in een bouwwerk te plaatsen en hoe deze geprojecteerd dienen te zijn. Aanvullend aan deze basis brandbeveiliging kan het raadzaam zijn om aanvullende draagbare en verrijdbare blustoestellen te plaatsen. De projectie van deze blusmiddelen dient te worden uitgevoerd volgens de NEN 4001 + C1:2008. Vanwege de noodzakelijke samenhang in de brandbeveiligingsmaatregelen gaat deze norm ervan uit dat een brandrisico-evaluatie is uitgevoerd voor het te beveiligen gebouw, en dat de plaatsen, risico's en gevolgen van mogelijke branden zijn geïdentificeerd.

 

Tabel 6.27 uit het bouwbesluit 2012
Tabel 6.27 uit het bouwbesluit 2012

 

Artikel 6.28 Brandslanghaspels

  1. Een te bouwen gebruiksfunctie heeft ten minste een brandslanghaspel.
  2. Een te bouwen gebruiksfunctie heeft ten minste een brandslanghaspel indien de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie of de totale gebruiksoppervlakte aan gebruiksfuncties van dezelfde soort in het gebouw groter is dan de grenswaarde vermeld in tabel 6.27.
  3. De gecorrigeerde loopafstand tussen een brandslanghaspel als bedoeld in het eerste en tweede lid en elk punt van de vloer van een gebruiksfunctie is niet groter dan de lengte van de brandslang, vermeerderd met 5 m. Dit geldt niet voor een niet in een functiegebied gelegen vloer die uitsluitend door niet besloten ruimten kan worden bereikt.
  4. Een brandslanghaspel:
    1. heeft een slang met een lengte van niet meer dan 30 m;
    2. is aangesloten op een voorziening voor drinkwater als bedoeld in artikel 6.12, die bij het mondstuk een statische druk geeft van niet minder dan 100 kPa en een capaciteit heeft van 1,3 m3/h bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels, en
    3. ligt niet in een ruimte met een trap waarover een beschermde vluchtroute voert.

 

Artikel 6.31 Blustoestellen

  1. Voor zover daarin niet reeds voldoende door de aanwezigheid van brandslanghaspels is voorzien, is een gebouw voorzien van voldoende draagbare of verrijdbare blustoestellen om een beginnende brand zo snel mogelijk door in het gebouw aanwezige personen te laten bestrijden.
  2. Bij een woonfunctie voor kamergewijze verhuur is aan het eerste lid voldaan met een toestel in een gezamenlijke keuken en ten minste een per bouwlaag in een ruimte waardoor een gezamenlijke vluchtroute voert.
  3. Elke hulppost als bedoeld in artikel 2.122 heeft een draagbaar brandblusapparaat.
  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.16, eerste lid, wordt ten minste eenmaal per twee jaar overeenkomstig NEN 2559 op adequate wijze het nodige onderhoud aan een bij of krachtens de wet voorgeschreven draagbaar of verrijdbaar blustoestel verricht en de goede werking van dat blustoestel gecontroleerd.

 

Artikel 6.33 Aanduiding blusmiddelen

Een voorziening voor het bestrijden van brand als bedoeld in de artikelen 6.28 en 6.31 is duidelijk zichtbaar opgehangen of gemarkeerd met een pictogram als bedoeld in NEN 3011.

 

(bron: bouwbesluit 2012 en NEN)